|
vrijdag 05 maart 2010 |
|
De Hoge Raad heeft onlangs in twee zaken einduitspraak gedaan naar aanleiding van een eerdere prejudiciële beslissing van het Europese Hof van Justitie (HvJ EU) over de verlengde navorderingstermijn. In tegenstelling tot de gewone navorderingstermijn van vijf jaar geldt voor tegoeden die in het buitenland worden gehouden of voordelen die in het buitenland zijn opgekomen, een navorderingstermijn van twaalf jaar. Het HvJ EU oordeelde op 11 juni 2009 dat de verlengde navorderingstermijn in beginsel een verboden beperking is van zowel het vrije verkeer van kapitaal als het vrij verrichten van diensten. Om een effectieve fiscale controle te waarborgen en belastingfraude tegen te gaan, kan deze beperking volgens het HvJ EU wel worden gerechtvaardigd. Daarbij onderscheidt het HvJ EU twee situaties. Indien de inspecteur niet beschikt over aanwijzingen dat inkomen buiten de belastingheffing is gehouden, is de verlengde navorderingstermijn geoorloofd. Beschikt de inspecteur wel over dergelijke aanwijzingen, dan mag na het verstrijken van de gewone navorderingstermijn van vijf jaar toch een navorderingsaanslag worden opgelegd, maar er gelden dan wel voorwaarden. De inspecteur mag namelijk niet meer tijd nemen dan noodzakelijk is om de inlichtingen te verkrijgen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting en de inspecteur moet de aanslag met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen aan de hand van de gegevens die hem ter beschikking staan. Hoewel de beide voorliggende zaken identiek lijken en in beide gevallen een beroep was gedaan op strijdigheid met het EU-recht, was de afloop voor de betrokken personen toch heel verschillend. Beslissend was of zij in de procedure hadden gesteld dat de inspecteur de vijfjaarstermijn verder had overschreden dan noodzakelijk was, gezien de richtlijnen uit het arrest van het HvJ EU. (PWC)
|